Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat van het bovenvlak van het deksel uit ruiten in een rechthoek. De bovenzijde der wanden van de tasch met een onregelmatig patroon van elkaar kruisende, ongekleurde reepen op zwarten grond. Koelawi. H. 13,5, L 16, br. 4,2 cM.

1647/744. Sirih mand, als voren, doch vierkant, van diagonaal gevlochten, ongekleurde %«^«-reepen, met geheel overschuivend deksel. Het mandje uit twee geheel gelijkvormige bakjes bestaande. De zijwand van het deksel over de geheele hoogte omgevouwen en in de vlechtreepen zijn zoodanig vouwen gelegd, dat eene aaneensluitende rij door diagonalen verdeelde vierkanten1) en daarboven een met verf zwart gemaakte rij driehoeken is ontstaan. In het bovenvlak van het deksel is met zwarte verf eene rondgaande rij ruiten gevormd en daarbinnen vijf njen ruitjes. Posso.

L. en br. 14, h. 7 cM.

804/240. Als voren»), doch rechthoekig, met over een rand schuivend deksel; het binnenste van de bladscheede van den sagopalm vervaardigd, van buiten bedekt met rechthoekig gevlochten orchidee (tf«2/»«>reepjes; de op elkaar sluitende randen van doos en deksel rood gekleurd. Loewoe.

L. 4,5, br. 3,5, h. 3,5 cM.

1026/40. Als voren, doch veel grooter, de zijwanden, de bodem en het bovenvlak van het deksel bol; van ongekleurde, roode en paarse si/ar »)-reepen gevlochten, die aan de langsrijden een ruitpatroon vormen. Het inschuivende deksel van ongekleurde en roode reepen zigzagvormig gevlochten. Koelawi.

H. ii, 1. 15, br. 5,6 cM.

1926/38—39. Als voren, doch van ongekleurde en roode en enkele paarse en gele (38) «7ar-reepen diagonaal gevlochten. Patroon van het deksel: m het midden der langszijden en van het bovenvlak een roode ruit met gele (38) of paarse (39) omtrekken, omringd door geblokte ruiten met ongekleurde Andreaskruisen op rooden grond met paarse omtrekken. Patroon van de tasch: verticale rijen ongekleurde ruitjes op rooden grond, gekruist door schuine, roode reepen (38) of schuine, ongekleurde reepen op rooden grond (39). In de tasch een tweede van ongekleurde reepen. Koelawi.

H. 14 en 13,5, 1. 17 en 18, br. 4,3 en 4,5 cM.

1926/33. Als voren, doch rechthoekig; van ongekleurde, roode, groene, gele en paarse j//ar-reepen gevlochten. Patroon: horizontale reeksen gele ruiten op rooden grond Op de langszijden van het deksel in het midden groene ruiten met ongekleurde omtrekken, omgeven door rood en groen geblokte figuren op rooden grond; aan de smalle zijkanten van het deksel gele ruiten en schuine strepen op rooden grond. Koelawi.

H. 9,5, 1. 13,5, br. 4,5 cM.

1926/34. Als voren, doch van ongekleurde, paarse, groene en enkele roode reepen gevlochten. Patroon: langs de randen groene ruiten op paarsen grond en verder groene dwarsstrepen op paarsen grond, gekruist door een schuine, paarse streep; op de langszijden van het deksel afwisselend groote groene of groen en paars geblokte, met Andreaskruisen en dwarsreepen gevulde ruiten met ongekleurde en roode omtrekken. De smalle zijkanten paars zonder ornament. Koelawi.

H. 8,5, 1. 11,5, br. 5 cM.

1926/35. Als voren, doch van ongekleurde, groene, roode en zwarte reepen gevlochten. Patroon: op de langszijden roode en rood en groen geblokte ruiten, omgeven door groene driehoeken met een ongekleurd Andreaskruis in het midden. Aan de smalle zijkanten ongekleurde driehoeken op groenen grond. Het deksel met drie horizontale reeksen ongekleurde driehoeken op rooden grond. Koelawi.

H. 8, 1. 11,5, br. 4,5 cM.

i) Jasper, Vlechtwerk, p. 159, fig. 219. 2) Wrber in I. A.f. E. III, Suppl. 38.

3) Jasper, Vlechtwerk, 29, noot i: Corypha umbraculifera L.

Sluiten