Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1232/103. Sirihzak (watoetoe1), als voren, doch van boomschors (foeja), grootendeels versierd met roode, gele en zwarte figuren: ovalen met zwarten, wit geblokten rand, gevuld met roode takken en bladeren (?) op gelen grond. Het middelste ovaal gevuld met ruiten, omgeven door haakvormige figuren (gestileerde buffelkoppen*)?). Langs den boven- en onderrand een dubbele zwarte, wit geblokte band. Door den bovenrand is een snoertje geregen, om den zak dicht te trekken. — Om sirih, pinang, enz. te bewaren. Toradja's.

L. 32,5, br. 24 cM. Zie pl. II, fig. 2.

i7io/iois). Als voren*), doch met roode en zwarte figuren: door diagonalen verdeelde rechthoeken met randen van zwarte en roode strepen en stippen. Toradja's. H. 32, br. 24 cM.

1926/67, 72, 74, 82, 87, 109. Als voren, met verticale strepen op witten grond: rood en groen (67 en 72), rood en paars (74), rood, blauw en oranje (82), groen, rood en blauw (87) of groen, rood en zwart (109). 67, 72, 74, 82, 87: M., 109: Posso.

H. 29—34,8, br. 20—28 cM.

1926/71, 95 & 116. Als voren, doch het patroon bestaat uit verticale lijnen op witten grond, gescheiden door stippen: groene, paarse en roode (71), roode en grijze (95) of groene en roode (116). Alle drie met een touwtje, geregen door den bovenrand. M.

H. 28—30,8, br. 20—24 cM.

1926/83, 97 & 102. Als voren, doch het patroon bestaat uit verticale, roode en blauwe strepen, gescheiden door groene stippen (83) of roode, zwarte en witte banden, de laatste met groene en roode stippen (97) of uit roode, blauwe en groene lijnen, gescheiden door groene stippen op witten grond (102). Bij n°. 97 bovendien in het midden twee horizontale banden met afwisselend groene en roode ruiten op witten grond. Door den bovenrand is een trekband van vezeltouw (83 en 102) of van paarse wol (97) geregen. M.

H. 31—38, br. 19—25 cM.

1926/98 & 100. Als voren, doch het patroon bestaat uit een rij, door blauwe (100) of zwarte (98) lijnen gevormde driehoeken langs den bovenrand, bij n°. 98 bovendien een verticale rij driehoeken langs het midden. De grond wit met zwarte, roode en groene (98) of groene, gele en roode (100) strepen en vlekken; 98 zonder, 100 met trekband. 98: Posso, 100: M.

H. 32 en 32,5, br. 23 en 24,5 cM.

1926/77. Als voren, doch het patroon bestaat uit een dambord met roode en zwarte vakken. Door den bovenrand is een trekband van rood garen geregen. M. H. 30, br. 21,5 cM.

1926/68, 85 & 119. Als voren, doch het patroon bestaat uit ruiten en driehoeken, door witte lijnen begrensd, op rooden grond, gevuld met zwarte, groene en witte bladfiguren (68 en 119) of met groene en roode, concentrische ruiten en groene kruisbloemen met witte omtrekken (85). De bovenrand versierd met verticale, roode en groene (68) of roode en paarse (119) strepen of met roode en groene driehoeken met hoornvormige, roode uitsteeksels (85). Posso.

H. 29,5—32, br. 19—24 cM.

1926/73. Als voren, doch het patroon bestaat uit twee rijen roode en groene driehoeken op witten grond, gescheiden en begrensd door horizontale banden van zwarte zandloopers op witten grond met rooden rand. Trekband van rood garen. Posso.

H. 29,5, br. 19 cM.

1) Adriani en Kruyt, I, 418, II, 188, 211, 214. — Kruyt, Woordenlost, 82.

2) Vgl. Adriani en Kruyt, Et, 215, fig. petondoe.

3) Serie 1710 don. G. A. J. van drr Sande, Juli 1909.

4) Vgl. Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, p. 14 met pl. IV, fig. 2 en V, fig. 3.

Sluiten