Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1926/88. Sirihzak, als voren, doch het patroon is door verticale strepen in een aantal rechthoeken en vierkanten verdeeld, gevuld met groene ellebogen, zwarte ruiten met hoornvormige uitsteeksels, groene cirkelsegmenten met witte omtrekken en ruiten in groene cirkels, alles op rooden grond. Aan den onderrand een rij, door witte lijnen begrensde ruiten. Posso.

H. 32,5, br. 23 cM.

1926/120. Als voren, doch het patroon bestaat uit drie smalle, verticale banden, gevuld met paarse, roode en groene ruiten met witte omtrekken in cirkels op rooden grond en twee breede banden, gevuld met kleine ruiten met groote, hoornvormige uitsteeksels en met driehoeken, op groenen of rooden grond. Posso.

H. 27,8, br. 25 cM.

1926/80. Als voren, doch het patroon bestaat uit vier rechthoeken, gevuld met roode krul- of hoornvormige figuren, driehoeken en cirkels, van onderen en van boven begrensd door rijen ruiten of driehoeken en aan de zijkanten door afwisselend roode en paarse ellebogen. Posso.

H. 27,5, br. 24 cM. Zie pl. I, fig. 2.

1926/99. Als voren, doch het patroon bestaat uit zwart, blauw en rood gekleurde, met wit en roode ruiten gevulde driehoeken, wier top in een rood cirkeltje uitloopt, door verticale rijen afwisselend roode en zwarte stippen gescheiden. Langs den onderen bovenrand zwarte vierkanten, gevuld met wit en roode ruiten en gescheiden door gele, roode en blauwe, verticale strepen. Aan den linker benedenhoek een franje van witte boomschors, aan twee zwarte kralen bevestigd1). M.

H. 23, br. 19,7 cM.

1456/37. Als voren (watoetoe1), doch het patroon bestaat uit verticale banden pijlpunten en horizontale rijen ruiten in oranje, rose, paars, groen en zwart. Aan de beide onderhoeken franjes van witte boomschors aan snoertjes witte en zwarte kralen. Door den bovenrand een touwtje van grijze vezels. Gitnpoe.

H. 28, br. 17,5 cM.

1372/9. Als voren8), doch het patroon bestaat uit eene dubbele rij poortvormige, ongekleurde figuren met verticale rijen zwarte en paarse stippen en begrensd door zwart gestreepte, paarse en gele randen, verder dwarsbanden, effen paars of gevuld met schuine strepen of ruiten en kolommetjes in rood, zwart en geel. De franjes aan de benedenhoeken hangen aan snoertjes blauwe, gele en zwarte kralen. Posso.

H. 35, br. 23 cM.

1926/114. Als voren, doch het patroon bestaat uit twee rijen zwart en roode driehoeken op witten grond, de onderste rij met roode, boomvormige figuren daartusschen. Aan den boven- en onderrand zwarte, met witte en roode ruiten gevulde rechthoeken en breede, roode, verticale banden. De franjes aan de benedenhoeken hangen aan snoertjes witte en zwarte kralen. Posso.

H. 26,5, br. 21 cM.

1372/10. Als voren, doch het patroon bestaat uit twee, uit krullen en ruiten samengestelde, gestileerde menschen (?)- of buffelfiguren, omgeven door horizontale en verticale banden, waarin zandloopers, ruiten en in twee witte en twee roode deelen verdeelde ovalen, alles wit, zwart en rood op gelen grond. Onderaan een

1) Vgl. Adriani en Kruyt, Atlas, pl. „beschilderde foeja-kleedingstukken", fig. onder links: „sirih-zak" (watoetoe). To Bada.

2) Vgl. Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, 14 met pl. IV, 2 en V, 3. — Sarasin, Reisen in Celebes, II, 99, fig. 35.

3) Vgl. Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, 21.

Sluiten