Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

f. Vingersieraden,

1377/4. Vingerring1), van Tridacna?-schélp, in doorsnede halfrond met eene groeve aan weerszijden om den binnenrand. Tolage. Dm. buiten 3,5, binnen 2, br. I cM.

1232/71. Als voren, doch van hoorn (?), dakvormig in doorsnede, aan eene zijde iets dikker. Toradja's. Dm. 2,2, br. 0,4 cM.

1232/72—73. Als voren (sintji*), doch van geelkoper, niet gesloten. In den buitenrand zijn met een scherp werktuig verticale inkepingen ingeslagen, loradja's. Dm. 1,8 en 2,2, br. 0,6 en 0,4 cM.

804/252 8). Als voren, doch van een, naar weerseinden dunner wordenden, in twee omgangen opgerolden reep geelkoper; de buitenzijde versierd met ingegrifte, ruwe bladornamenten, bestaande uit korte, boogvormige streepjes. — Wordt door mannen aan den wijsvinger gedragen. Omstreken van Palopo.

Dm. 2,7, br. 6 cM.

1232/74—75 en 1377/5. Als voren (sintji4), van gegoten geelkoper, gesloten (75 en 5) of niet gesloten (74); n°. 5 met een klein, rechthoekig uitsteeksel aan de achterzijde. Aan de voorzijde een ronde plaat, versierd met een achtspakig rad (74) of met een rozet, die zeven (75) of negen (5) cirkels binnen lussen vertoont (75 en 5). Tonapoe.

Dm. ring 2,5, 2,5 en 2, dm. plaat 1,7, 1,5 en 1,7 cM.

1232/76—77. Als voren (sintji*), gesloten (77) of niet gesloten (76). De voorzijde verbreed met gepointeerden rand (76) of met snoerrand (77), ingelegd met een ronden, groenen (76) of zwarten (77) steen. Tonapoe.

Dm. ring 2,2 en 2,5, dm. voorzijde 1,3 en 1,5 cM.

g. Gordels en beenversiering.

804/2461). Gordel, breede strook zigzagvormig vlechtwerk van donkerbruine rietreepen; het eene einde tot eene lus, het andere tot een plat koord gevormd, dat in het begin in tweeën is gespleten. Loewoe.

L. 190, br. 4,5 cM.

1300/24. Buikband (ale7), van zigzagvormig gevlochten, ongekleurde, bruine of aan de buitenzijde roode bamboereepen, in een onregelmatig patroon. Cylindervormig, gesloten. — Zulk een band wordt, meisjes en vrouwen om het middel gevlochten, zeer nauw, zoodat het vleesch van boven en onder uitpuilt. Toradja's.

Dm. 15,5, br. 6 cM.

43/98. Rotanband (bohndo), spiraalvormig gewonden, de buitenzijde door mïngkoedoe rood gekleurd. — Door beide seksen om de heup gedragen 8). Posso. Dm. 25 cM.

1456/40. Beenring (langke9), van geelkoper, niet geheel gesloten, in doorsnede bijna rond. — Aan elk been worden door de vrouwen twee stuks gedragen; ieder vertegenwoordigt de waarde van een halven buffel. Gegoten in Koelawi.

Dm. 9, d. 1,6 cM.

1) Sarasin, Reisen in Celebes, I, 266.

2) Adriani en Kruyt, II, 351. — Kruyt, Woordenlijst, 64, s. v.

3) Weber in /. A. f. E. III, Suppl. p. 37 met pl. I, fig. 5.

4) Sarasin, Reisen in Celebes, I, 266. 5) Meyer und Richter, pl. XXI, fig. 22.

6) Weber in /. A. f. E. III, Suppl. p. 37 met pl. II, fig. 3.

7) Sarasin, Reisen in Celebes, I, p. 266, fig. 79. — Meyer und Richter, pl. XIV, fig. 2. — Adriani en Kruyt, II, 225, 332, 335 met pl. hoofdstuk „kleeding en versierselen." — Kruyt, Woordenlijst, 5, s. v. 8) Adriani en Kruyt, o. c. II, 224.

9) Adriani en Kruyt, II, 227—228. — Kruyt, Woordenlijst, 38, s. v.

Sluiten