Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zwart, de binnenzijde met rood katoen bekleed. Langs den buitenrand een zigzaglijn van diagonaal gevlochten bladreepen op zwarten grond. Alle randen met rood garen omboord. Kinband van geel katoen. Toradja's. Dm. 36,5, h. 6 cM.

1456/4. Kindermuts1), van diagonaal gevlochten, breede, ongekleurde pandanbladreepen, onderaan met ronde opening, boven gesloten en in drie scherpe punten uitloopend. To Bada.

H. 16, dm. 16 cM.

804/243*). Muts, rond, met naar binnen afloopenden rand; het bovenvlak met zes hooge vouwen, waardoor een stervormig figuur is gevormd. Het bovenvlak diagonaal, de rand zigzagvormig van bamboereepen gevlochten. Loewoe.

H. 10, dm. 19 cM.

1647/1343. Hoed, van een dubbele laag zigzagvormig gevlochten, ongekleurde bamboereepen, die naar den top smaller worden; de reepen van de binnenste laag breeder dan die van de buitenste; de laatste in drie sectoren verdeeld. Half bol vormig; randhoepel van rotan, aan de binnenzijde door een rotanreep gevolgd, aan de buitenzijde door talrijke smalle reepjes, tusschen twee zwarte besloten en door dunne, loodrechte vezels gekruist. Hoofdring breed, aan de binnenzijde met wit, aan de buitenzijde met rood gebloemd katoen overtrokken. Aan den randhoepel een lusje. Toradja's.

Dm. 37, h. 12,5, dm. hoofdring 18 cM.

1647/1340. Als voren, doch van ongekleurde rotanreepen, volgens de schuine omslingeringsmethodes) om hoepels gevlochten; de bol naar boven iets wijder uitloopend, van boven plat en met een rond gat in het midden. De rand eenigszins schuin afloopend, met een geheel omvlochten hoepel aan den omtrek. Toradja's.

Dm. 33, h. 10, dm. bol 18—22 cM.

1647/1341. Als voren, van ongekleurde rotanreepen volgens de eenvoudige omslingeringsmethode4) om hoepels gevlochten; zeer stijf en met een of andere stijf makende stof bestreken. Rond, de bol rond, van boven plat. De rand eenigszins afloopend. Toradja's.

Dm. 35,5, h. 9, dm. bol 19 cM.

1926/680. Als voren6), doch van een dubbele laag bamboereepen zigzagvormig gevlochten, van binnen breede en ongekleurde, van buiten smalle en bruine. De oploopende top zwart gekleurd, omgeven door drie zwarte, gevorkte lijnen met hoornvormige uitsteeksels. Breede, platte rand van drie rotanlatten, door rotanvezels bevestigd, eenigszins naar boven gebogen. Toradja's.

Dm. 48, h. 10 cM.

1926/7796). Als voren, doch van een dubbele laag lontarbladreepen diagonaal gevlochten, van binnen breede en ongekleurde, van buiten smallere en rood, zwart, geel en groen gekleurde. Zeshoekig- langs den rand, puntig oploopend. Ornament: in het midden een roode driehoek met groene omtrekken, gevolgd door groene en roode kruisen. Daarbinnen zwarte vierkanten met ongekleurde kruisen, gele kruisen op rooden grond, enz. Op drie plaatsen langs den rand drie roode of zwarte ruiten met een meanderfiguur in het midden en gevorkte uitsteeksels aan de hoeken. De rand met een smalle, roode en een breede, zwarte bladreep omboord. De binnenzijde met zes latjes versterkt. Toradja's.

Dm. 30, h. 10 cM.

1) Sarasin, Reisen in Celehes, II, p. 95, fig. 32.

2) Weber in I. A.f. E. Hl, Suppl. p. 37 met pl. H, fig. 1.

3) Jasper, Vlechtindustrie, 66. — Idem, Vlechtwerk, p. 56, fig. 48.

4) Jasper, Vlechtindustrie, 66. — Idem, Vlechtwerk, p. 56, fig. 48.

5) Weber in I. A. f. E. IH, Suppl. pl. H, fig. 2.

6) Not. Bat. Gen. LI (1913), p. C, n". 16956.

Sluiten