Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1759/42. Vrouwenhoofdband {tali), als voren, doch het ornament bestaat uit rijen paarse, gele en roode strepen, door zwarte en roode dwarsstrepen onderbroken; nabij de einden dwarsrijen roode of roode en paarse driehoeken: in het nudden dergelijke dwarsnjen en andere met roode, paarse of zwarte ruiten, ellebogen ot rijen smalle, schuine lijnen. — Voor vrouwen der To Pebato.

L. 171, br. 17,5 cM.

3. Hoofddoeken.

135/31 en 1759/35. Hoofddoeken (siga1), van geklopte boomschors, wit f31) of rose geverfd (35). — Voor jonge mannen. 31: Posso, 35T To Lage. L. Iio en 107, br. 80 en 107 cM.

43/81. Hoofddoek (siga), in het midden vier driehoeken, twee roode en twee gele, de laatste met zwarte cirkels gevuld. Langs de randen drie rijen vierkanten gescheiden door groene en roode banden en gevuld met slanglijnen, vierbladerigè bloemen, driehoeken of ruiten. Twee tegenover elkaar liggende hoeken onversierd.— De kleuren worden op glad bewerkte stukjes hout gebracht en vervolgens op den bast gedrukt, door dezen laatste nat over het hout heen te spreiden? De figuren worden door middel van houten matrijzen eveneens er op gedrukt. De kleuren zijn uit planten verkregen. Zoodanige gekleurde doeken mogen alleen door hoofden gedragen worden. Dat van den kleinen man is een effen wit stuk schors. Posso

L. 89, br. 87 cM.

, 1759M~26 en Ï926/209 & 264. Als voren (siga9), doch het patroon bestaat uit, door dubbele, zwarte diagonalen doorsneden, concentrische, roode vierkanten od gelen grond met een blauwen en een rooden driehoek in het midden (25) of uit vierkanten, die door diagonalen in twee roode en twee gele driehoeken verdeeld zijn, met enkele paarse scheidingsstrepen (26) of uit vierkanten, begrensd door kleine roode ruiten en met grootere, rood en gele ruiten aan de hoeken (209) of uit een dambordpatroon van zwarte, roode en ongekleurde vierkanten, door witte lijnen met zwarte onttrekken begrensd (264). In de hoeken eenige rijen roode en gele driehoeken (25) of een vierkant, gevuld met roode, witte en zwarte, gestileerde buffelkoppen omgeven door een rand van witte, zwart gestreepte ruiten op rooden grond (264) Hij n . 26 langs de randen afwisselend paarse en roode ruiten; de rand van n" 200 rood en paars. — N°. 25 en 26 gewone dracht der To Pebato, 209 en 264: M. I* 735 7'i 80 en 80, br. 73, 71, 79 en 79 cM.

I759/36. Als voren (siga), doch anders beschilderd: in het midden een rood en groen vierkant; daaromheen een grooter met diagonalen, waarlangs roode en groene halve cirkels. In twee hoeken een vierkant met twee groene randen, waartefen en 22"^ driehoeken en ruiten; in het vierkant roode en groene krullen (buffelhorens»). Evenwijdig aan alle randen breede en smalle, roode en groene strepen. — Gewone dracht. To Lage. groene

L. en br. 89 cM.

,-r. 'ï!?"7!,* *28i\AiS VOr-n' doch 'm het midden eene r°od en paarse kruisbloem deeld wordï^n 't^ t°l * vier gelijkedriehoeken ver-

T,TOd ' In lTee hoeJkeil een g^P concentrische vierkanten met twee paren van elkander afgewende roode horens in het midden en driehoeken in de vierhoeken

dïeh^n w™*? d«OT ^ (28-3) °f ^ en f"» Kjnen in concentrische" driehoeken, bij n°. 283 ook in ruiten verdeeld. M.

L. 87 en 69, br. 84 en 66 cM.

.2? MlR,AWKer?,r^RD^f*""*"* '7 en 19. - De Bare'e-sprekende Toradja's, H, 122, 221. — Kruyt, Woordenlgst, 63, s. v. — Ene. v. N. I. IV, 416, s. v. Toradia 2) Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, 11 vlg oraaja.

n e" KRT' Gekl°Jfl bor"chor^ P>- IV>' Ag- * ~ Kaudrrn, / Celebes obygder, H,

p. 74, bild 35 en p. 76—77, bild 36—37. ' ^ ' '

Cat. Rijks-Ethn. Museum, Dl. XVIH.

Sluiten