Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelen grond (273) of zwarte en witte, gestileerde buffelkoppen op rooden grond (285). De randen rood en paars (228 en 285) of rood, groen en paars (273). M. L. 62, 72 en 70, br. 61, 71 en 70 cM.

1232/89—91. Hoofddoeken (siga1), als voren, doch rood, geel en groen (90) of bovendien zwart (89 en 91) gekleurd. De doek verdeeld in vier groote vierkanten, waarvan twee door groene strepen in roode en gele vierkanten (89) of door groene diagonalen in vier driehoeken (90 en 91) verdeeld zijn. In de beide andere vierkanten in het midden een kruisbloem op gelen grond, bij n°. 89 omgeven door vier groene en vier roode cirkeltjes. Hieromheen drie randen, gevuld met driehoeken, rechthoeken en zandloopers. 89 en 91: Toradja's, 90: M.

L. 82, 83 en 74, br. 80, 74 en 73 cM.

776/45 & 45«8) en 1232/93. Als voren (siga9), doch in het midden een groot, rood vierkant (45 en 93), waarin bij n°. 45a een kleiner vierkant, in roode, gele en vier ongekleurde driehoeken verdeeld, waarin zwarte cirkels en enkele roode sterren. Langs de randen zes gele banden, die door roode en witte strepen van elkaar gescheiden zijn en versierd met roode en zwarte Andreaskruisen, gestileerde bloemen of sterren, cirkels, ruiten en lanspuntvormige figuren (45) of twee witte en een gele band, waarin roode of zwarte bloemen en stervormige figuren (45a) of een gele en een ongekleurde band, met roode bloemen en sterren (93). In de hoeken van n°. 45a en 93 vierhoeken en rechthoeken, gevuld met kruisbloemen. — Voor het teekenen der figuren op deze doeken bedient men zich van een bamboepenseel. Ook de vrouwen dragen hoofddoeken of anders een haarband van bamboe. 45 en 45a: Tomini-bocht, 93: Toradja's.

L. 83, 89 en 85, br. 82,5, 89 en 81 cM.

1759/40. Als voren (siga41), doch met zwarte en roode randen op gelen grond. De daartusschen liggende, gele banen door roode, zwarte en groene dwarsstrepen in vierkanten verdeeld, die evenals de vierkanten, waarin het midden is verdeeld, gevuld zijn met roode, groene en zwarte, stervormige figuren, gestileerde buffelkoppen en rijen driehoeken benevens witte, zwart gestreepte ruiten. To Napoe.

L. en br. 84 cM.

1759/29, 38 & 39. Als voren (siga 6), n°. 29 met een dubbel, diagonaal kruis met zwarte omtrekken; in het midden een vierkant, in acht driehoeken verdeeld, paars, rood en ongekleurd (29) of met een, uit roode krullen bestaande zon en in de hoeken buffelhorens op een steel van roode en groene ruiten (38) of concentrische, paarse en roode vierkanten (39); daaromheen paarse, roode en ongekleurde driehoeken en daartusschen sterren met verschillend gekleurde stralen en kransen van stippen (29) of concentrische randen, waarin rijen paarse of witte, zwart gestreepte driehoeken en paarse en groene ruiten (38) of vierkanten met roode, groene, paarse en zwarte kruisbloemen, ruiten, sterren, buffelhorens en driehoeken (39). Langs de randen gestreepte vierkanten en verschillend gekleurde driehoeken (29) of groene en roode (38) of paarse en roode (39) strepen. 29 gewone dracht, 38 voor aanzienlijken. 29: To Onda'e, 38: To Zage, 39: To Napoe.

L. en br. 72, 86 en 75 cM.

1759/24 & 27—28 en 1926/250. Als voren (siga9), doch door dubbele, witte en zwarte (24 en 27) of driedubbele zwarte (28) of roode (250) diagonalen doorsneden; in de hoeken twee (28), drie (27) of vier (24) rijen blauwe, roode en gele driehoeken of een vierkant, waarin eene rood en groene kruisbloem, omgeven door twee

1) Meyer und Richter, Celebes, I, pl. XV. — Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, pl. II—V.

2) Serie 776 don. G. W. W. E. baron van Hoëvell, April 1890.

3) Vgl. Meyer und Richter, Celebes, I, pl. XV.

4) Vgl. Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, pl. III, fig. 5.

5) Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, p. 11 met pl. III, fig. 5.

6) Adriani en Kruyt, Geklopte boomschors, p. 11.

Sluiten