Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door witte (156) of witte, roode en paarse (187) lijnen. Bij n°. 187 bovendien roode, witte en paarse ruiten en ronde, paarse, roode en zwarte bloemen op witten grond. Aan de uiteinden van n°. 156 roode, gestileerde buffelkoppen in een vierkant. Posso. L. 134 en 133, br. 26 en 21,5 cM.

1926/145 & 148. Schouderdoeken, als voren, doch het patroon bestaat uit kleine, groene, omsloten door groote, roode driehoeken (145) of uit blauwe driehoeken met hoornvormige uitsteeksels (148). De overige ruimte gevuld met paarse (145) of blauwe (148) stippen op witten grond, bij n°. 148 in door roode lijnen begrensde rechthoeken. Onder de driehoeken een breede, oranje (145) of blauwe (148) band. Daaronder bij n°. 148 eene rij, in witte en grijze driehoeken verdeelde vierkanten met roode omtrekken. De buitenrand paars (145) of rood en oranje (148). M.

L. 132 en 130, br. 36 en 35 cM.

1926/182 & 272. Als voren, doch het patroon bestaat uit eene rij groene of blauwe, oranje en roode of zwarte driehoeken (272) of uit twee rijen groene en roode of oranje en paarse driehoeken, gescheiden door twee roode lijnen, waartusschen schuine, oranje en paarse lijnen (182). De tweede helft van n". 272 verdeeld in ruiten, begrensd door groene en oranje lijnen, in wier kruispunten vierpuntige sterren gevormd worden. M.

L. 134 en 132, br. 39,5 en 38 cM.

1926/133, 137 & 151. Als voren, doch het patroon bestaat uit groepen tegen elkaar gekeerde, roode, witte, blauwe en ongekleurde driehoeken, gescheiden door roode, blauwe en ongekleurde lijnen (133) of uit gele driehoeken met roode omtrekken en witte driehoeken met groene loodlijnen in, door blauwe dwarsstrepen begrensde rechthoeken (151) of uit afwisselend zwarte en oranje, pijlpuntvormige figuren, begrensd door zwarte en oranje lijnen langs den rand (137). 133 en 137: M., 151: Koelawi.

L. 127, 132 en 132, br. 35, 31,5 en 31,5 cM.

1926/184 & 188. Als voren, doch het patroon bestaat uit een (184) of twee (188) rechthoekige, blauwe strooken met oranje en roode cirkels. Daartusschen bij n°. 188 een gerekte, blauwe ruit met oranje rand en daarin een rood ruitje met oranje rand. Aan weerskanten daarvan bij n°. 184 een roode strook met witte cirkels. Langs de randen eene rij oranje ruiten met groene of witte kern (184) of witte en roode ruiten (188) en roode, hoornvormige uitsteeksels op witten grond. M.

L. 132 en 130, br. 30 en 29,5 cM.

1926/180. Als voren, doch het patroon bestaat uit vierbladerige, roode bloemen met groene bladnerven op witten grond in vierkanten, begrensd door een roode lijn. Langs de randen een witte strook met roode dwarslijnen. De buitenrand blauw. M.

L. 132, br. 32 cM.

1926/152—153. Als voren, doch het patroon bestaat uit smalle (153) of breedere (152) banden, gevuld met groene en roode driehoeken of met zwarte ruiten met roode omtrekken, roode buffelhorens en bij 152 ook groene vlekken, op witten grond. Posso.

L. 134 en 130, br. 27 en 26 cM.

1926/135—136, 149 & 185. Als voren, doch het patroon bestaat uit rechthoeken, gevuld met groene, roode, witte en zwarte ruiten en driehoeken (135) of uit groepen met de toppen tegen elkaar gekeerde, groene en roode driehoeken, door witte lijnen begrensd (136) of uit roode, groene, witte en paarse ellebogen, zandloopers, driehoeken en ruiten (149) of uit rechthoeken, gevuld met groene, pijlpuntvormige figuren met witte omtrekken, groene driehoeken met witte omtrekken, roode ruiten met groene kern en witte omtrekken op rooden grond (185). Aan de uiteinden bovendien gestileerde buffelkoppen (135), groene en roode strepen (136), of een negenpuntige ster in een vierkant, dat in acht driehoeken verdeeld is (149). Posso.

L. 131, 132, 118 en 128, br. 24,5, 27,5 23 en 26,5 cM.

Sluiten