Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bingka wando (mandje dat in drierichtingssysteem gevlochten is), Bar., 100.

bissoe (priesteres), Mak., 50.

bodjolo (Scaevola Koenigii Vahl), Mak., 46.

boekoe bambo (soort van knopje), Boeg., 39.

boelaeng (ruiten i/h kaartspel), Sal., 61.

boelekang (draagstoel), Mak., 47.

boelekang taoe mate (onderstel van een lijkbaar), Mak., 64.

boelo alae-laeyang (soort van duivelbanner), Mak., 71.

boelo lae-lae (soort duivelbanner), Boeg., 71. boelo paseya-seya (soort duivelbanner), Boeg., 70.

boeloe koempa (soort van duivelbanner), Boeg., 69.

boenga bodjolo (haarsieraad van stukjes merg), Mak., 46.

boenga ni goeba (bij elkander gevoegde bloe, men), Mak., 40, 48, 50. boera (pisang-bast), Mak., 44. boerane (mannelijk), Mak., 75. boeso (mannenarmband), Bar., 121. bohndo (rotanband), Bar., 122. bola (mat), Boeton., 87. boroe (regenscherm), Bar., 150. branggah (schuitvormig; naam van den vorm van het huis van een krisscheede), Jav., 19.

D.

dama datoe (vorstelijke fakkel), Boeg., 73.

damar (soort hars), Mal., 73.

daoen silar (blad van de Corypha gebanga),

Mal., 102. dapo (bamboekoker), Bar., 104. dara kadaro (soort van teer of verf, eig.: bloed

van een klapperschaal), Boeg., 125. dewata (god, beschermengel, beschermgeest),

Boeg., 74.

djadjakang (rijstmandje, waarin een waskaars gestoken is), Mak., 51.

djagoeng (maïs, Turksche tarwe, Zea mays L.), Jav., 51.

djaha (mannenkleed), Boeton., 86.

djaian (toestel voor het weven van randsnoeren), Bangg., 92.

djala (net, vischnet), Mak., 44.

djati (houtsoort; Tectona grandis L.), Jav., 7.

djëroek (Citrus Linn.), Jav., 52.

djima (amulet), Mak., 65.

djima boelaeng (soort van amulet), Mak , 65, 66.

djima-djima palagesang (amulet die om den arm wordt gebonden), Mak., 66.

Cat Rijks-Ethn. Museum, Dl. XVIII.

djimat (amulet, talisman), Mal., 9, 67.

djoedjoe (lont), Mak., 70.

djoemba (tabbaard), Mak., 76.

djoemba pasangingang (met den tabbaard een

stel vormend), Boeg., 38. djoengge (hoofdsieraad van gekleurd papier,

enz.), Mak., 47, 57, 58. djoeroe batoe (uitkijk), Mak., 44. djoge (dans), Mak., 58. dodot (staatsie-onderkleed), Jav., 46, 48. doeli-doeli (sirihmand), Bar., 106. doepa (reukwerk), Mak., 63. dompipi (mand of koker voor sirih-pinang of

tabak), Bar., 106, 109.

G.

gaba-gaba (droge stengels van den sagoboom), Mal., 97.

gabah (rijst die van stroo ontdaan, maar nog

niet ontbolsterd is), Jav., 51. gadjang (soort van duivelbanner), Boeg., 69. gadoe (hofkleed, rok), Mak., 37, 39. gambir (Uncaria gambir), Jav., 30, 106. gandja (basis v/e krislemmet), Jav., 12, 13,

16—25, 43ganrang (trom), Mak., 51, 54. gantayang (banden van bindrotan om een trom),

Mak., 54.

garoeda (zonnevogel), Skr., 12—18, 24, 25, 43, 74, 94-

gëbang (Corypha gebanga BI.), Jav., 80, 88,

102, 109. genggong (mondtrom), Mak., 56. gentoenga (hanger), Bar., 102. gila (gek), Mal., 100. gogo (soort van lekkernij?), Mak?., 44. gong (bekken), Mak., 54. gongga kongkame (halsketting van kongkame-

vruchten), Bar., 120. grènèng (tanden aan een krislemmet), Jav.,

23, 24, 42-

H.

habila (doosje), Bangg., 89.

I.

ikan bibi (Balistes), Mak., 125.

inroe (Saguerus saccharifer Rmph.), Mak., 70.

iroe (lepel), Bar., 103.

J.

jajoe (rijststamper), Bar., 104.

jokoe (armband van schelp), Bar., 121.

II

Sluiten