Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dende kracht uit van de rake plaat, die Johan Brakensiek gaf voor de „Groene" van 7 Juni 1914.-Deze toch verbeeldt „een allegorie op de ontvangst, die vreemdelingen in Nederland plegen te genieten, vooral als ze er anders uitzien, dan een ander" en stelt onze grenswachters voor in de figuraties' van een balkenden ezel, een opdringerigen beer en een drietal grijnzende, treiterende en tartende apen. Het geheel vereeuwigt op treffende wijze het Harderwijker schandaaltje.

Maar de talrijke mededeelingen over vreemdelingenmolestatie elders, welke na het ruchtbaar worden van het geval Romain aan de publieke opinie werden prijsgegeven, overtuigden het krantenlezend publiek spoedig, dat een bepaalde plaats — hier Harderwijk — niet het monopolie van vreemdelingenafkeer bezat. Want staaltjes van vreemdelingenmolest werden uit alle deelen des lands gepubliceerd in de pers, zoodat men moest aannemen, dat xenophobische gevoelens ook jegens den landgenoot-toerist in bijna iedere stad of streek de bevolking onhebbelijk deed optreden tegen vreemde bezoekers.

vanzelf sprekend, dat men bij het verzamelen der markante staaltjes ook in het buitenland naar „zjjns; gelijken" zocht. Het „wie den bal kaatst moet hem ook verwachten" bracht als tegenhanger van Harderwijk, Autin in Bourgogne in opspraak, waar twee Hollandsche globetrotters ongemotiveerd werden lastig gevallen nog wel door... de autoriteiten; men herinnerde aan het vermaarde tooneelstuk „Nos bons villageois" van Victorien Sardou, terwijl men als pendant van Brakensieks plaatbijschrift, uit het geestige Engelsche blad „Punch" een gesprek tusschen twee Britsche werklieden citeerde, dat kort en bondig als volgt verliep: Jim: „Wie is dat Bil!?" Bilt: „Een vreemdeling." Jim: „Smijt hem een baksteen na."

Toen men dus met lofwaardigen ijver trachtte aan te toonen, dat de in Harderwijk zoo aan de kaak gestelde straatschennerij binnen en buiten onze grenspalen welig tiert, meenden de uitgevers „van de

-ha

Sluiten