Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

□ ACHTSTE HOOFDSTUK. □

NATUURVERVREEMDING EN „BUITEN" ZIJN.

In het vorige hoofdstuk heb ik bij mijn beschouwingen 'over de bestrijding der tuchteloosheid er op gewezen, dat, hoeveel zegenrijke invloeden er ook van onze groote steden uitgaan op sociaal gebied, hoezeer we ze brandpunten mogen noemen van een hoog ontwikkeld geestelijk leven, dat uiting zoekt in kunsten en wetenschappen, de cultuur toch steeds meer den geheelen niensch voor zich opeischt, zoodat de vaak te snel voltrokken beschavingsontwikkeling den „Groszstadter" geheel van de natuur, doet vervreemden. ...

En wie heeft dan wel beschouwd het recht den stadsmensch er een ernstig verwijt van te maken, dat hij — op de enkele van de 365 dagen, welke een jaar telt „op den buiten" vertoevend — zich in de natuur niet meer weet te gedragen, zooals het behoort ?

Immers het is met dat 's zomers buiten zijn van den stadsmensch eigenlijk vreemd gesteld!

We weten het allen, dat naarmate ons dagehjkscn arbeidsleven meer en meer komt te staan onder de dikwijls tyranniseerende heerschappij van de groote Stads-agitatie, zich sterker bij ons de behoefte doet gevoelen om althans ééns in het jaar —in den vacantietijd, als we ons eigen meester zijn — op adem te komen „ergens buiten".

Dat „ergens buiten" is vaak in de dagen van het plannen beramen nog maar een zeer vaag begrip. Het is een zich overgeven aan zomersche landschaps-

Sluiten