Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de levende natuur. Toen steeds meer ouderen medegingen met de overtuiging der enthousiaste jongeren en zich vertrouwd maakten met de nooit gedachte en dus nimmer begrepen wonderen van een simpel weideslootje, een veracht wegbermpje, een heitje of een weitje, zie, toen werd er door velen spoedig smalend op die vroeger zoo vereerde thans „duf" gescholden natuurhistorische verzamelingen neergezien.

Frisch en levensblij stelden de moderne natuurvorschers zich bij hun vogelstudie tot devies het paradoxaal klinkende: „Beter één vogel in de lucht, dan tien in de hand". Lijnrecht ging men in tegen de theorie der oude kamerornithologen. De zeldzaamste exemplaren werden niet meer neergeschoten, om opgestopt en geplaatst in banale houding op een witgeschilderd krukje, hun bij systeem aangewezen plaatsje in te nemen in de wetenschappelijke, collecties. Men ging verder en bood de vogels gelegenheid op speciaal voor hen gereserveerde broedterreinen hun door den mensch elders bedreigd bestaan ongestoord voort te zetten.

Eieren- en .nestenverzamelingen, zoo bedroevend dikwijls ontstaan uit een plots opflikkerenden, even gauw gedoofden verzamelgril, werden als uit den booze veroordeeld. Herbariums bleken eigenlijk zeer bedenkelijke bedreigingen te zijn voor een rustige vegetatie-ontwikkeling in een bepaalde streek. Er zou meer dan een plant te noemen zijn, die door een te heftige belangstelling 'van naar haar bezit hunkerende „bloemenliefhebbers(?)" voor goed verhuisde uit het stille bosch naar de stoffige herbariumportefeuilles tier botanisten. Daar vertegenwoordigde ze dan, bloem en wortels meedoogenloos afgesneden, verbleekt en verdord, als „object" haar familie of geslacht in. een collectie die als de eerste interesse geweken was, misschien alleen bekeken werd op regenachtige Zondagmiddagen, wanneer er toevallig geen matinée's of andere uitjes waren en de herinneringen teruggingen naar bloemrijke zonnigblijde vacantiedagen.

Sluiten