Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doorkijkjes op de Lijmerslanden en de overkantsche waarden, met heel in de wazige verte het blauwige silhouet van Doesburg's klokketoren.

Bij een bocht van den weg stonden we in eens op den hoogen IJseloever bij het Rhedensche veer.

Het was half negen zomertijd, maar de hitte werd reeds ondragelijk — dien Juniochtend. Beneden ons de zilver-glanzende rivier stroomend rustig en kalm met absolute negatie van haast; aan den overkant een karretje, dat overgezet moest worden, wat verder de zwierige loop van den IJsel met tusschen hooge iepen en peppels de blauwe torenspitsen van Giesbeek en andere Lijmersdorpjes en naar den Steegschen kant de groenblauwe schemering der boschpartijen van Middachten en Rhederoord, reeds omhuld door de broeiende hittelucht der omringende uiterwaardlanden.

De veerbaas goot zijn geraniums en petunia's druipnat, klom op een trapje om de hangers ook te doen deelen in de watergaven van zijn breed-sprietsenden gieter en sprak met ons over de hitte, die weer over het land kwam te staan en over de lucht, die zooveel warmte kon verdragen, over de drukte aan het veerhuis des avonds en de vele gasten, die daar thee kwamen drinken, zich lieten brengen en halen met auto of rijtuig „omdat wandelen met die hitte toch niets gedaan is".

Maar wij, die de lage landen hadden doorgewandeld van Velp en Rheden, die er het hooger stijgen van de zon hadden bewonderd in de lachende lichteffecten van het bedauwde landschap, wij, die opgetogen langs de IJselpaadjes hadden genoten van de wijde omnevelde horizonten, wij wisten wel beter!

Hadden wij niet de weilanden gezien in de uitbundigheid van hun zomersch bloemenleven, hadden wij niet onze handen gelegd op de manen van makke paarden en waren ze niet streelend door de jonge wol gegaan van blatende lammeren? En genoten we nu niet aan het Rhedensche veer van de wanne vin de koe gekomen melk, die hier ons in onvervalschte heerlijkheid als de nectar van het weiland geboden werd ?

Sluiten