Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in eigen kring — het; ideaal van het „schoone" vaderland nastreven.

Verblijdend voorwaar, dat er in ons land vele journalisten worden gevonden, die zich niet louter beschouwen als „kooplui in nieuws", die hun gedachten niet uitsluitend en alleen richten op het zoo gauw,' zoo sensationeel en zoo goedkoop mogelijk geven van berichten en verslagen aan hun lezerskring, maar die ernstig trachten mede te werken aan de zedelijke opvoeding van het volk in het algemeen en van hun lezers in het bijzonder. Om die moeilijke positie op veelzijdige wijze tegenover het publiek te kunnen innemen, dient de persman warm te kunnen loopen voor duizend-en-een belangrijke vraagstukken, die hem veelal brengen uit zijn journalistieke sfeer naar den zelfkant der studieterreinen van specialisten, geleerden en kunstenaars.

In zijn rede over „Kunst en Dagblad" heeft Johan de Meester op het Algemeen Kunstcongres de positie van den kunstverslaggever geestig vergeleken met die van een kind (in dit geval het kind. van de rekening!) uit een huwelijk; dat in den volksmond zou worden getypeerd in: „Bij elkander deugen ze niet en van elkander meugen ze niet."

Ook heeft de dagbladschrijver bij het behandelen van vraagstukken, die het algemeen volksheil raken, steeds angstvallig zorg te dragen niet vervelend te zijn, niet 'al te veel het slechte te laken en het goede te verheerlijken, want het krantenlezend groote kind — het publiek — wil nu eenmaal niet in het openbaar bezedepreekt worden door zijn „eigen" krant.

In een artikeltje over „Naderend Toerisme" (Het Vaderland 4 Juni 1917) wordt zoo langs den neus weg heel aardig de positie aangegeven, die de courant tegenwoordig inneemt. De schrijver, — welke „Het Avondblad" geparfumeerd vindt van dennengeur, die' de annonceerders uit de „rustige streken van Gelderland", uit Bussum en Zeist, „met nog maar enkele kamers disponibel" doen opstijgen uit hun invitaties —j zegt, dat de tijd rijp is om ons te beraden over het

Sluiten