Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geven, dat de natuur- en stedenschoon-vrienden menig streven alleen door den krachtigen steun van de locale en algemeene pers met succes bekroond zagen.

Nu is het altijd moeilijk vast te stellen welk aandeel eert gevoerde perscampagne heeft in het tot stand komen van grootsche daden, ofschoon ieder vereenigingsbestuur mij dadelijk zal toegeven, dat zonder een welwillend gezinde pers slechts maar een enkel plan tot het stadium van uitvoering komt.

Dank zij mede de perscampagne, bezitten we thans een Boschwet die — al moge zij dan beteekenisverkleinend „Nood-Boschwetje" worden genoemd —, toch in artikel I den minister de macht geeft „tot bewaring van natuurschoon of tot voorkoming van het vellen van onrijp hout, zoowel in het heele grondgebied des Rijks als voor een gedeelte daarvan, in het algemeen of in bijzondere gevallen, het vellen van bosschen of andere houtopstanden, geheel of gedeeltelijk (te) verbieden of niet dan voorwaardelijk toe (te) staan". En nu mag een onzer groote dagbladen in haar bescheidenheid van zulk een wet gesproken hebben als „een historisch monument voor de regeering, die haar maakt", die hulde kan vQor een goed deel worden overgebracht op de „mannen van de krant", welke, waar ze konden, hun pen leenden voor het behoud van met vernieling bedreigde bosschen en zoo millioenen boomen wisten te ontrukken aan den gevreesden beul van Holtland.

Zoo schreef Brusse in zijn Onder-de-Menschenfeuilleton van 1 September 1916 over de bedreiging van het Elspeter. bosch en de ontluistering der Veluwe; „de Telegraaf" en „Het Handelsblad" riepen eveneens een „Te Wapen", bladen van onderscheiden politieke richting volgden met het houden van beschouwingen over het verloren gaan van ons toch reeds zoo beperkt boschbezit. Verblijdend was het voor de vrienden van het woud, dat tegelijk de „Oude" en „Nieuwe Groene" op 6 September 1916 verschenen met platen van Brakensiek en Van der Hem, die duidelijk lieten zien, wat de publieke opinie was

Sluiten