Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Reeds in 1916 had de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten aan de RegeerTng, behalve een adres in zake uitvoering artikel 2 der Vogelwet, ook een verzoek gezonden om het roekeloos verkoopen van houtgewas door gemeentebesturen tegen te gaan.

Dat de minister, die in de Kamer op een interpellatie van den heer Gerhard zieh gereserveerd hield en o. m. heeft geantwoord „dat het vellen van hout met het oog op de voorziening in de schaarschte van brand| stoffen geen afkeuring verdient, zoo lang het binnen redelijke grenzen beperkt blijft en dat zijn aandacht er op gevestigd blijft, dat die grenzen niet worden overschreden ..." met der daad „een oog in het zeil hield", het moge overtuigend blijken uit de gunstige beschikking op het adres der vereeniging.

Immers aan alle Commissarissen der Koningin in de verschillende provincies werd het volgende rondschrijven gezonden:

„Het Dagelijksch bestuur der Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland heeft tegenover mij zijn bezorgdheid geuit, hoe overal in ons land onder den invloed der hooge houtprijzen, tengevolge van den geringen invoer van hout uit het buitenland, bosschen en lanen worden gekapt, die onder normale < omstandigheden nog langen tijd ongerept zouden zijn t gebleven. Voornoemd Bestuur wijst er op, dat zooi doende, terwille van een tijdelijk voordeel, het landelijk i schoon van ons vaderland wordt opgeofferd, zonder I dat er nog in lange jaren kans van herstel te wachten iis en dat zelfs van Gemeentebesturen besluiten tot (dergelijke schennis uitgaan.

Ook mij komt het voor, dat het wenschelijk is, i maatregelen te nemen om, waar het mogelijk is, het 1 kwaad te keeren en vernieling, zonder noodzaak te i verhinderen. In verband hiermede heb ik de eer U te ï verzoeken, de Gemeentebesturen op een en ander tte wijzen en zooveel noodig maatregelen te nemen of woor te stellen, welke het euvel zullen kunnen keeren." Door tusschenkomst van de Gedeputeerde Staten

Sluiten