Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bracht het Tijdschrift der Nederl. Heidemaatschappij een uitvoerige studie van den heer De Koning in Verband met de oprichting van de Nederlandsche vereeniging „'t Boompje", maar van eenig actief optreden mocht ik nog geen enkel bericht gepubliceerd zien.

Toch geeft het jaarverslag 1912, van de Noorsche Boschvereeniging cijfers te lezen, die voor Nederland in deze benarde tijden naar ik hoop de overtuiging schenken, dat zoo ooit, thans de tijd er is voor boschaanplanting door de schooljeugd.

In Noorwegen bestonden in 1912 18 provinciale vereenigingen met 399 onderafdeelingen. De bijdragen van particulieren bedroegen 17.374 kronen, terwijl de staat subsidieerde tot een bedrag van 114.710 kronen. Deze vereenigingen plantten in 19127.716.093 boompjesen daarvan komen voor rekening van de schoolkinderen 1.597.685 stuks, dus ongeveer een vijfde gedeelte. Wanneer men nu aanneemt, dat ongeveer de helft verongelukt, dan vertegenwoordigt toch nog het door de jeugd alleen in 1912 aangeplante bosch in 1962 een netto waarde van 4 a 5 millioen kronen. Tweejarige pijnboomen of driejarige dennenboomen kosten op de plantenscholen 4 a 5 kronen de 1000 stuks, wat dus voor 1.579.685 stuks op ongeveer 8000 kronen komt. Kan men zich een betere geldbelegging bedenken als deze ? Achtduizend kronen, die na vijftig jaar aangegroeid zijn tot een kapitaal van vier millioen kronen.

Men neemt aan, dat een man in twee dagen 1000 boomgaten kan hakken in een gewonen grond en dat een vrouw of een half volwassen jongen in twee dagen 1000 boompjes kan planten. Laat men derhalve het werk door de schooljeugd verrichten, dan geeft dit ongeveer op 1.600.000 geplante boompjes een besparing van 14.000 kronen.

In Bergenhusambt legt men de meeste belangstelling voor de zaak aan den dag. De „Bergens Skogselskab", welke bestuurd wordt de voornaamste ingezetenen van de stad, heeft niet minder dan 114 onderafdeelingen gevestigd en deze planten in 1912 gezamenlijk 337.400

Sluiten