Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook met doorgezet conservatisme behouden. En de stadsmenschen die op het platteland gekomen, zich weer in een andere phase van stedelijke schoonheidsverwildering groot voelen, zien dan de „achterlijke'* boeren aan met iets van een soort spottend medelijden, begrijpen niet dadelijk, dat ze hier afgespiegeld vinden, wat een geslacht, och neen een jaar of tien eerder, als algemeen opgehemeld „modern" gold in hun beschavingscentra.

Want we hebben in de laatste veertig jaar een heele phalanx van „stijlen" in de steden gekend. Het begon met den doodelijk-nuchteren waterstaatsopzichtersstijl, die onder andere te 's-Gravenhage in de zeventigerjaren de zinneloos-saaie straténkomplexen deed ontstaan, welke zoowel in hun totaalbeeld als in de huizen an-und-fur-sich niets gemeen hadden met den gouden tijd, waarin de helden leefden, die men hier in Piet Hein-, Witte de Wit-, Tromp-, Van Galen-, Zoutman-, Tasman- en Van Diemenstraat meende te kunnen eeren.

Gelukkig dat Dr. H. T. Colenbrander nog onlangs in een warm gesteld pleidooi, dat onder den titel „Meyendel mag niet weg" in het Vaderland van 22 Juni 1917 verscheen, er op kon wijzen dat „vele straten en.lanen in de nieuwste buurten, in de nieuwste achterbuurten zelfs reeds enkele, volstrekt niet meer dien indruk maken van stoffelijke bekrompenheid en geestelijke botheid, waarmede de wandelaar zich in de vale goten, die men in 1880 en daaromtrent naar Rembrandt, naar Tromp, naar de wonderlanden Celebes en Bali heeft durven noemen, voelt overvallen".

In 1887 kwam de gemoderniseerde renaissance van Gugel, Gosschalk en andere met de drukke topgevels, en de rijkombeeldhouwde „oeils de boeuf". Dat was de namaak-historische bouwtrant met al zijn ongevoelde onjuistheden waarbij de archeologische verheerlijking der zeventiende eeuw in steen werd vastgelegd in de nieuwe wijken onzer buiten de vesten zich uitbreidende steden.

Daarna kwam de zweepslag- en vermicellikronkel-

Sluiten