Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5 TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. |

STADSUITBREIDING EN PLANTSOENVERFRAAIING.

Hebben vele locale V. V.'s nog een taak te vervullen, waarvoor zij de aansporing kunnen vinden in het in eere houden der tradities van het verleden, eveneens dienen zij zich volle rekenschap te geven van de plaatselijk-eigen karakteristiek in het heden en de toekomst, omdat daarin nieuwe mogelijkheden kunnen schuilen welke een gunstigen invloed op / vestiging en bevordering van het vreemdelingenverkeer kunnen uitoefenen.

In de zeventiger jaren zagen vele Nederlandsche steden alleen in vereering op tot den geweldigen steen-moloch der negentiende eeuw met haar woestijnachtige plaats-uitbreidingen. De natuurschoonheid en de genoegelijke aantrekkelijkheid der „buitensingeltjes" werd opgeofferd aan de barbaarsche wreedheid van stadskwartieren als de Amsterdamsche „Pijp" — die schande op het gebied der stedenuitleg, waarvoor het thans levend geslacht het stadsbestuur van gisteren met verwijten overstelpt. Men liet slechts lapjes en franjetjes groen als parkjes en plantsoentjes hier en daar binnen de aaneengesloten rijen revolutiehuizen inmetselen als oorden der „verlustiging"... Doch een vluchtige plattegrondsbeschouwing van Nijmegen omstreeks 1890 zal tot de overtuiging leiden, dat daar toen reeds de aantrekkelijkheid van het natuurlijke landschap werd verbonden aan die van een stadschen uitleg, welke zelfs den strengen criticus van latere jaren bevredigd heeft, al mag evenals

Sluiten