Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Langzamerhand is men vooral in Duitschland gaan voelen de wenschelijkheid, spoedig echter de besliste noodzakelijkheid om weer een eenheid, een harmonie te brengen in het kerkhofbeeld en de strijd is met ( energie aangebonden tegen den door subjectieve grillen -gevoeden wansmaak en banaliteit der doodenakkers.

.Men ging uit van de gedachte, dat de bezoeker den indruk zou krijgen, dat daar allen geëerd werden, maar dat allen zich moesten onderwerpen aan het ■ ernstige woord: „Pour 1'impie mort, il n'y a plus 1 d'espoir". En zoo liet men terecht het individueele grafteeken opgaan in de veelvuldigheid. Men wees er op, dat banale gevoelens toch moesten wijken voor' de mooie gedachte den dooden een laatste rustplaats te wijden, dat de grafteekens niet mogen opvallen om ijdel door spiegelende vlakken de aandacht tot zich te trekken van bezoekers, maar dat zij zich moesten richten naar het zinnebeeld van het kerkkoorgezang, dat hoe plechtig en wijdingsvol, geheel zou verstoord worden, wanneer ook maar een enkele korist iets anders zou zingen. Men trachtte rekening houdend met de omgeving een overeenstemming, een rythmus in de vormen der grafteekenen te scheppen. Waar schoonheid zal heerschen, moet harmonie gevonden worden, en evenals men in de dichtkunst een i uiterlijke schoonheid mist, wanneer jamben, dactylen i en trochaeën door elkaar gebruikt worden, zoo zal i men ook bij de vaak voorkomende rijen grafteekenen i er op bedacht dienen te zijn de vormen en afmetingen i onderling met elkaar in overeenstemming te brengen.

Natuurlijk zijn er in onzen tijd van de verkondiging (der persoonlijkheidsbevrijding velen, die zich tegen (deze beperking van individueele uiting heftig verbetten. Niets begrijpend van een cultuurstreven, dat {gericht is in de banen der aesthetica, volgen zij hun [persoonlijkè neigingen, die zij verdedigen en vastleggen i in „origineelen". Door ongemotiveerde vooringenormenheid willen zij zich niet gewonnen geven en laten rzij zich niet overtuigen, dat een zekere gelijksoortigheid rnog niet gepaard behoeft te gaan met een gelijk- en

Sluiten