Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

\ openbaren weg, welke stralend verkondigen, dat het gewest zijn- zoete heiligen heeft gehad, en dat het die riog eert openhartig en vrij, waar gij en ik als toerist al wandelend onze zomersche vacantiedagen verdroomen, en onze vreugde hebben aan de golvende bodemrythmiek, aan de weelderige bloemenvegetatie, aan de wondere vergezichten en de rustieke bouwwerken der eenzame hoeven en der grauwverweerde mergelsteen-burchten.

Die stille kapellekes, die dikwerf niet eens een eigenaar kennen en — daar het geen kunstwerken zijn — ook niet vallen onder de rijksmonumentenbescherming, ze zijn met kruis- en heiligenbeelden op het veld, aan de haag, onder een groep gesnoeide boomen de karakteristiek van zoo menig bekoorlijk Limburgsch achterlandje. Die eenvoudige geloofsteekens met 't versleten kniel bankje, „waar 't huistoe keerende schoolkind zijn ijverig gegaarde bloemen brengt, en die den voorbijganger minstens tot een stillen groet aan den „soeten Heer" noopt, tot een kort gebedeken voor de arme zielen, of de dolende zondaars", hebben in hun pretentielooze verschijning recht op 'de belangstelling van iedereen, die met een open oog en een ontvankelijk gemoed Limburg wil leeren kennen in zijn monumenten en gedenkteekenen.

En waar men zeker mag zeggen, dat er telken jare onder den zonnigen hemel van Limburg — straks waarschijnlijk ook onder die van het eenvoudige Brabantsche landschap — nieuwe kruisen verrijzen en bidkapelletjes worden gebouwd, daar dient gewaakt dat dergelijke devote getuigenissen, die de moreele verheffing van den gaanden en komenden man beoogen, ook aesthetisch bevredigen.

Dr. J. Sassen O. P. -mag al in een pleidooi voor foomsche monumentenzorg (De Maasbode 28 Dec. 1917) getuigen: „onze hoogbegaafde kunstenaars, die ook_ 't kleine weten te waardeeren, wachten slechts de opdracht van geestelijkheid en gegoede burgerij om pastorie, tuin of dorpsstraat in dezen geest te

Sluiten