Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eischen van het grootbedrijf, de hygiëne, de woningwet en de brandverzekering, gepaard aan een zich alom uitende zucht naar een zekere boersche moderniteit, een ontzaglijke schoonheidsvernietiging op het platteland hebben gebracht.

Jan Stuyt heeft het eens raak gezegd, dat „een ellendige schoonheidsschennis als een kanker knaagt aan het zeer bijzonder mooi van ons Hollandsch landschap". Een ontluistering gaat voort die met de steden als besmettingshaarden en de stadsche timmerlieden-bouwkundigen (?) als overbrengers maar steeds verder en intenser doordringt. De eene bouwkunstige leelijkheid verrijst naast de andere grove banaliteit, zoodat Steyn Streuvels de verwording der locale platteiandsarchitectuur treffend kon uitdrukken in: Nu komt men de dingen „maken", waar ze voortijds „groeiden". Adieu de schoonheid, als God 't niet betert 1 v.

Als kind van haar tijd werd dan ook op 24 April 1912 te Arnhem gesticht de Vereeniging: „Het Nederlandsche Openluchtmuseum", welke zich volgens artikel 1 der Statuten ten doel stelt: „te bevorderen de studie van de beschaving der plattelandsbevolking van Nederland, zooals die zich Uit in woningbouw dorpsaanleg, kleederdrachten, huisraad, werktuigen enz.", welk doel zij tracht te bereiken door:

le het stichten en in standhouden van een openluchtmuseum : een verzameling van gebouwen en van al wat voor bovengenoemde studie van belang is en

2e het ondernemen en steunen van onderzoekingen en uitgaven deze studie betreffende.

Dit en nog veel meer bijzonderheden omschrijven doel en karakter van het Nederlandsche Openluchtmuseum op den Arnhemschen Waterberg — het boschen beekjesrijke heuveloord van dertig H.A., dat de vooruitstrevende Arnhemsche gemeenteraad in haar zoo hoogst belangrijke zitting van 10 November 1913 in erfpacht afstond met de uitsluitende voorwaarde dat het terrein mag worden gebruikt voor „openluchtmuseum" en dat geen andere gebouwen mogen worden

Sluiten