Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar uit haar schat het flonkerendst juweel moest zij den zanger, die voorbijtrok, laten ; de blankste honig uit haar donkre raten werd van zijn honger het gerechte deel.

En 's avonds langs de wanden van zijn leemen hut speelt een glans uit diep-verborgen nis en van zijn daaglijksch brood de bitternis ' kan fijnste zoetheid hem voor altijd nemen.

Want hij is van degenen een, die weten dat schoonste werklijkheid den dag niet mint en als de draden is, die 't herfstwoud spint voor hem, die derven kan en niet vergeten.

En zij ? Terwijl zij zit en zwoegt en tilt moeilijk de zware zorg voor land en luiden, krinkelt een klankgang zonder veel beduiden haar door de ziel: zij peinst én lacht verstild.

(Uit: Verzamelde Gedichten.)

Sluiten