Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rijk doet de herfst zijn bladermuren bruinen

en langs zijn oude, zwartbeslijkte pad erlangt het dorre zand van Eik-en-Duine.n , jaar in jaar uit den al te droeven schat.

Geen morgen, dat de stille stoet niet nadert, gedoscht in 't eerekleed van koning Dood,

de zwarte wagen door de kiezels radert, die 't zwijgend samenzijn met één vérgroot.

Daartoe, o zanger, wordt ook gij vergaderd na 't zwichten voor den allerlaatsten nood.

DECEMBERAVOND

Stil dwarrelt vroege sneeuw; het duinenheir ligt roerloos op zijn winterwa te wachten en hult zich huivrend in de blanke vachten

en legt het loome hoofd te slapen neer.

Reeds droomt het bosch door eindelooze nachten en donk're dagen van een grootsch weleer

en voelt de koele sneeuw zijn kruin bevrachten en grijze sagen zingt het murm'lend meir.

Snel daalt de nacht, waarin geen ster zal flonk'ren. Daar glimmert geel een licht op verre hoeve ; het dooft — en glimt op nieuw — en dooft weer uit.

Dat is een trouwe hand, die 't venster sluit. . . O hart, en niemand deert het waar wij toeven, als winternacht en sneeuw den weg omdonk'ren.

Sluiten