Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

L.oop ik te dolen door 't vredige veld Waar de laatste schoven staan,

En ik denk, hoe dit jaar is henengesneld En hoe ras een volgend zal gaan.

„Zag ik den trotschen zaaier niet In September over het land;

Zag ik het goudgewaaier niet Van de zon, die de tarwe brandt ?

Zal ik opnieuw den zaaier zien

Zaaien met breed gebaar ? Zal ik opnieuw den maaier zien. . . ?

Of . . . was dit het laatste jaar ?"

DE VECHT

Er ligt een landhuis aan den stroom verlaten; Verbleekt, met donkre luiken, staart het blind, En laat den stroom, die eenzaam voortglijdt, praten En luistert niet naar 'tfluist'ren van den wind. Maar vroeger, toen Hoogmogenden der Staten Daar in den zomer poosden van 't bewind, En staat en krijg voor huis en vreê vergaten, En kind'ren stoeiden over 't melkwit grint, Toen leefde 't Huis en de bevolkte stroom Wiegde de schepen, die blank-zeilig gleden, Vredig van gang naar 't schatrijk Amsterdam, Nó droomt het landhuis daar zijn eeuw'gen droom Van eindloos heimwee naar die lang geleden Glorievolle eeuw, die nimmer wederkwam!

Sluiten