Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aangerukt en weer versneld, in een oogwenk weer ontsteld, bezemt hij d' in rust verraste buigende, van wind belaste, strakke, stribble, kroeze hei vóór en om en onder mij.

DE MIJMERENDE STILTE

De lucht was stil, het grijze land lag wijd en als in teere droömen.

Aan d'overzijde stond bewaasd de bronze rij der wilgeboomen.

De heesters hingen nevelnat te geuren aan het donker pad.

De vlugge beek, die onder 't hout der neergehuifde takken stroomde,

liep als een grijze, smalle weg

door verre weien en verdroomde . . .

Snel güjend tusschen d'oevers ging. een blad mee in de kronkeling.

Boomtakken bogen grondewaart hun uitgespreide, bleeke schermen,

er stonden paars en zilvergrijs verbloeide distels aan de bermen,

en zuringtrossen overal

gedonkerd in den fijnen wal.

Een hoog-geel afgezonken blad

hing aan een losse draad te draaien,

en boven het verlaten land gakten de kibbelende kraaien,

met menig en herhaald geschal, hoog in de heldre hemelhal.

Sluiten