Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het slijk heeft kleur van dood, en heeft er-van de smake, de luchten-zelf zijn grijs, als is het vette slijk, de boomen en de puinen, met hun halve daken, zijn grauw van klevend slijk, als was elk huis een lijk. In sfijk zijn stappen zwaar, als 't wegen van de jaren, in slijk is 't wachten droef, als stond men in den dood met beide voeten, en vergleed om onze haren de hand der eeuwigheid, vol weemoed en vol nood. Het slijk stinkt aaklig, als van beenderen het branden, het slijk is d'horizont, waar moe de blikken zien, het slijk is 't eenig laken, dat met vaste banden, omheen ons lichaam snoert, wanneer we in dood vervliên. Het slijk kleeft aan de wroeters en hun harde vuisten, het slijk plakt, als verbrokkeld speeksel, in den mond, wij mengen slijk met spijzen, en als dikke puisten, het slijk verstijft den rand van open-staande wond.

Zoo groeien wij in slijk, als grauwe menschen-spoken, en eten slijk, en vloeken om zijn kille zoen, tot slijk wij-zelve worden, en verstokt, gebroken, uit onze laatste wonde niets dan slijk wij bloên.

LANGS DE ZEE

Wij komen uit den strijd, — en ginds vergrauwt de zee. Wij stappenzwaarvermoeid, metbloedindeambereoogen, het slijk op onze handen, en het hoofd vol wee, dat weegt als onzen ransel, om de rugge-bogen.

Wij stappen uitgeput, — en hooren op 't gedraal der eindelooze zangen van het baren-branden. De stille zee is grauw, de lucht is leeg en kaal, wij komen op het strand, als wrakken, aan te landen.

Sluiten