Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Armzalig is de stoet van mannen met den helm, geen woord ontsnapt de lippen, en de blikken varen De dood zoo lange loerde met het brons-gedwelm om onze forse koppen, smartelijk ervaren.

Zoo gaan we op rust, — doch in de groote moedloosheid, wordt ons de zee een beeld van't innig menschen-strijden, waar onze schoonste droomen liggen uitgespreid, en in die droomen straalt de reden van ons lijden.

REGEN

Verloren op een verre post, de wachten staren. Hun mantel is doorweekt, hun hêlmen blinken dof, hun handen zijn verstijfd, en wagen geen gebaren, — of in den grauwen regen Dood die levens trof.

De vlakte is onuitstaanbaar van eentonigheid. De stonden rekken lang, en de gedachten wegen. De poelen worden breeder, en 't geboomte schreit om al de narigheid van dagen-langen regen.

De vuren zijn gedoofd in 't aaklig-grijze land, geweren blijven stom, daar alle menschen-woeden gewurgd zijn door vervelings-natte zware hand, — men denkt aan rotte lijken, die de graven hoeden.

En als dan soms een vlieger, droevig om het ronken van motors in de lucht, omheen de post verdwaalt, dan schijnt het dat een kraai, van menschen-bloed nog

dronken,

op de uitgeleefde koppen van de wachten daalt.

Sluiten