Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kelk hing neêr aan dorren steel Heur blank gezicht werd als 't gelaat n ee°, ziek dat sterven gaat. Zoo lei 'khaar naast mij op de peel.

Mijn ziel zocht rusteloos en loom Door 't graf van 't ijle donker rond Dien tijdeloozen nacht, maar vond De deur niet naar den lichten droom.

Ik hoorde vallen éen voor éen Mijn eigen tranen door de stilt: Die welden stadig, warm en zilt, Tusschen geloken leên.

Wit keek de morgen door den kier. De wind stak op om 't eenzaam huis • De hemel brak in" koel geruisch ; De regen sloeg op veld en dier.'

Ik rees en stond, mijn hand ontsloot De ramen van het breed kozijn; De kamer liep vol vochten schijn - • Daar lag de bloem als bloed zoo rood.

Teêr droeg ik haar, een kind dat sliep, Naar buiten waar de regen viel. De roode bloem, mijn eigen ziel Dronken het leven lang en diep.

Daar smolt de zon door wolkenwand, In 't Westen rees de regenboog • Diep uit het bloemehart omhoog Reukte de geur als offerand.

Dichters na '80.

Sluiten