Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EDUARD BROM

KERSTNACHT

De herders waken bij het weidend vee . . .

Wijd hangt de nacht, wijd welft de lichte vreê

Van starrenglans en teeder luchtegloren. . .

De herders voelen nooit gevoeld bekoren

Van nachtmysterie ... 't is hun vreemd te moe . .

En droomerig zij luiken de oogen toe

Tot sluimer, waarin opluikt klaarder droomen,

Nog droomend voort na hun ontwaken loome.

Daar is 't, of starrenglanzing plots vervaagt

Tot morgenschemer. . . blanke daagraad daagt

In vollen nacht, al heerlijker opbloeiend,

Al Hchter licht de oneindigheid doorvloeiend.

En uit die weidsche gloriezee breekt uit

Een breede stroom van hemelsch stemgeluid

Eindloozer englenreien, opgetogen

In jubel: „Eer der Godheid in den Hoogen,

Op aarde vreê den mensch van goeden wil!"

De herders, van verrukking stom, staan stil

Te staren opwaarts. . . 't wordt hun bijna bange . . .

Maar in hun zielen zwelt het van verlangen

En zaligheid om 'theil dat hun geschiedt.

De herders staren en zij weten niet

De volheid van dat heil, wat hen voert henen

Naar schaamlen stal, van enklen straal doorschenen . .

Sluiten