Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar zien ze een Vrouwe, schoon en morgenpuur,

Een Kindeke, zóó hemelsch als natuur

Nooit teelde op aarde, in kinderoogen klare

Een liefde en mededoogen wonderbare !

Zij, schreiend van geluk en teederheid,

Buigen de knieën, de armen uitgebreid

In vromen schroom naar 't Kindeke, op de lippen

De aanbiddingswoorden, die der ziele ontglippen!

O ! laat ons met de herders gaan

En bidden 't teeder Kindeke aan,

En leggen aan Zijn lieve voeten

Een schat van kostbre zielegroeten,

En glinstertranen, versch geschreid,

Van liefde en stille teederheid:

En leggen aan Zijn lieve voeten

Al 't leed, dat vreugde vreugd doet boeten.

Al 't bange wee, dat zielen prangt,

Met angst en stadige onrust drangt:

En reien aan Zijn lieve voeten

Deemoedig trotsche droomenstoeten,

Er leggend puik van offerand

Uit wonder bloeiend schoonheidsland !

Dat Kindeken is Heer en Koning,

Aan Hem alle eer en eerbetooning !

Wat straalt in vreugde en schoonheidslicht

Wordt lichter voor Zijn aangezicht,

En wat diep ligt in smartenduister,

Wordt opgevoerd tot smartenluister.

Dat Kind is de eeuwge Hoop en Troost,

Wier dag aan eeuwgen hemel bloost.

Dat Kindeke is der englen Vrede,

Dat deelt Zijn vreê aan de aarde mede.

Wat niet tot Hem om vreê zich wendt,

Vergaat in strijd en gruwbre ellend.

Sluiten