Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

H— ■

RICHARD DE CNEUDT

DE HARMONICA-SPEEER

't lied van den kleinen Vlaamschen man, eentonig, klagend, rijst in 't zwijgen; mijn lijdend herte droomt ervan, ik hoor 't aldoor, in smachtend hijgen ....

Hoor, 't klaagt zóo diep, zoo wonderbaar, droef-schreiend, door de stille straten, 't leed van den armen dompelaar, door elk gesmaad, door elk verlaten;

'tleed van mijn arm, schoon Vlaanderland, verloren grootheid, doode luister ; — het klaagt, het schreit ten allen kant, 't rijst al weer op, in droef gefluister ....

Hoor, slepend, slepend, stil en traag, aldoor, aldoor dezelfde wijzen, éen roerend-zacht, beschroomd geklaag, waaruit bedwongen snikken rijzen ....

O volk, mijn volk, is dat uw klacht ? O land, mijn land, is dat uw stemme ? Alomme ligt de donkre nacht, met zwaar geheim, met vreemd beklemmen.

Sluiten