Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Muziek, — de rijpe weelde van den zomer, De gouden bijen zoemen in de bosschen, De roode dennen dragen paarse vlammen, De ruimte hangt verzadigd van zonnette.

Muziek, — de droge klank der fijne takken, Wanneer de luchten stijgen, hooger, hooger, En al de sterrenbeelden afscheid nemen; Te wachten ligt de bleek geworden wereld.

Muziek, muziek, alom het sprakelooze Wonder dat ontstijgt aan de verschijningen, Het al-omvattende, het grenzenlooze, Het in elkander overgaan der dingen. —

(Uit: Liederen der Gemeenschap

DE VERWORPENEN

De verworpenen, die denkend worden, Zullen ingaan tot een nieuwen dag, In wier oude hoofd de oogen dorden, Deze worden blinkend van gezag.

In wier leven armoe heeft gesproken, Gore stem van tellend kopergeld, Deze zullen hooren, de ontloken Gouden klokken van het voorjaarsveld.

Zij, die voor den meester bogen neder, Handen opwaarts naar het dageloon, Zullen springen op en worden weder Van de vrije aarde vrije zoon.

Deze die neerzaten, heengezonken, Peinzende, wat hen dus had vergoord, Zullen worden van het weten dronken, Dat een nieuwe schoonheid hun behoort.

Sluiten