Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FREDERIK VAN EEDEN M

DE EENTE

Reeds is het statig eiber-paar gekomen,

't geduldig rijs wringt stil de knoppen los,

de zoele lente luwt door 't zonnig bosch

en wiegt mijn geest in weemoeds-zoete droomen.

Violengeur stijgt op uit vochtig mos,

een bronzen gloed verjongt de dorre boomen,

en primula's en dotterbloemen zoomen

de groene wei met gouden voorjaarsdosch.

Wat heb ik, milde ! naar uw komst gesmacht! wat scheen uw toeven lang ! —• is 't niet mijn leven dat door uw donzen adem wordt gewekt ?

Eens zult ge niet meer keeren, als ge trekt, des weerziens zaligheid mij niet meer geven en grimmig grijnst dan d'eindelooze nacht.

DE NOORDEWIND

Dé wind waait hoog en kent de menschen met.

Hoog wil ik stijgen met den Noordewind, boven 't gerucht der stemmen — boven 't licht der volle straten. Weg ! het warm gewoel, de weeke druk van menschen om mij heen !

Sluiten