Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

P. N. VAN EYCK

y =m

AVONDGANG

(Fantaisie naar een Japansche houtsnede)

In Yedo. Avond. Zwart en strak geboogd,

Buigt tegen 't kleurig blinken van de lucht,

Van oevergroen tot oevergroen, de brug.

De zon, — groot-glanzig in een meer van gloed,

Zacht röse en bleek oranje, straks nog daar

Hoog, helder, hevig, tusschen 't drijven van

Doorzicht'ge wolken, veders nevel, mist

Van fijn-doorschenen regendamp, — slaapt ver,

Ver, ginder, achter 't wazig-groene groen,

Haar korte rust van schemering en nacht.

En nóg, als vlokken bleek-getinte wol

Vlieten dezelfde dunne nevels rond,

Heel langzaam aan, en dalen tot de kim. —

Alles ligt stil. Het water draagt den schijn,

De rimpelende wéértint van de lucht,

En vloeit zwak-traag voorbij mij. De overkant,

Die meewindt met de buiging van den stroom,

In kreek en ronden uitgroei, ruischt van ver,

Daar zoele winden streelen door 'tgebloei

Van plant en boom en bloem. Een enkle boot

Glijdt, frisch van kleuren, langs den oever weg,

Met ritselend geplas, — alreeds voorbij.—

En ginder, rustig, dicht bij de overkant,

Sluiten