Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar ver weg, liggen andre donker n«ep In 't licht, eentintig water: — 't Is al stilv Geen mensch gebaart daar. Alles peinst en zwijgt. En langzaam kwijnt het bloeien van de lucht En langzaam valt zoo de avondsluier neer.

Dan dwaal ik weg van de oever en ik ga

Eangs smalle paden naar de donkre brug

En treed naar boven, klim, en, waar de boog

Haar midden over 't roerloos water hangt,

Sta 'k stil en luister, vredig, — zie rondom,

En zie naar ver, waar 't hooge kimmegroen

Lijnzwart getrokken staat voor 't zakkend goud, *

Dat zinkend wegdeint. De avondwaze wolkt

Al dicht en dichter : en nog weinig tijd,

Dan is de laatste schijn van 't licht verblauwd.

Zoo sta ik lang en denk aan niets en staar

Maar zwervig heen naar 't simpel avondvallen.

Totdat ik over de opgang van de brug

Hoor zwak gerucht van tred en dun gewaad,

En zacht gespreek van stemmen. En ik wend

Mijn hoofd naar daar en zie : een kleine vlam

Wiegt door de scheem'ring, dichtbij, op en neer,

Bij 't rhythmisch schrijden van twee vrouwen, die,

Meest zwijgend, naar mijn stil-staan nader gaan.

Zij naadren, zijn nabij mij. Met het hoofd

Gereikt naar voren en gebogen rug,

Gaat de eene omwaad door strookend lichte kap

En zijig-lichte wading : 't rond gelaat,

Door 't aarzlend branden van een kaars beglansd,

Die wappervlammend in haar lampion,

Hëur hand het meest omschijnt, is fijn en scherp

En duidt naar meen'gen spitsen vreugdedroom.

Naast haar, met hooge, zijig-dónkre kap,

Waardoor ten halve 't bleeke voorhoofd doemt

Sluiten