Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 't kaarsvlam-schijnen, de ander, wazig-teer Door elk zacht-stil verlangen, dat dit hoofd Deed gloeden en dan, dorrend weer, verkromp. En armen buigen om en vangen plooi En weeken val van kleeren, handen gaan. Omhoog of waren om de kleine vlam, Wit-fijn beschaduwd, schaduw om 't gelaat, Een schaduw onder iedre luchte vouw, En schaduw om elks nauw doorguldigd oog. — Zoo gaan zij langzaam en zij spreken niet, Wanneer zij langs mij henengaan, en weg, Weg naar een plaats, die ik niet weet, niet ken, Niet kennen kan, niet zal, verdwijnt dit beeld, Daal-tredend van de glooiend-donkre brug. En om hun ritselende hoofdenkap, Om 't uiterst lijnen van "hun glad gewaad Zie ik de vage, brooze schijnigheid Van 't kleine kaarsje, dat nog vóór hen brandt. Nog éven komt een kort-gebroken klank Nauw hoorbaar van het weifelend gesprek Dat hunne hoofden weder spinnen naar Elkanders luistrend loopen ....

Dan sta ik

Roerloos en peinzend weer, zie naar den stroom,

Die duistervoortvloeit langs 't verschemerd groen, —

En hoor het ritsel-plassend ruischen aan

Van 't kleine bootje, dat met trage riem,

Daag van mij, verder vaart en roeit, naar ver . .

HET KIND IN DEN BOOMGAARD

Den ganschen middag heeft de regen zijnen pracht Van paarlen aan het loof geleend, en glimgewaden Van uitgevloeide druppels rijkelijk gebracht Voor plein en huizen. Langs vergrijsde hemelpaden

Sluiten