Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Beschonk de trage wind mij met een warmen droom. Uit verre landen als een bloemgeur aangedragen In 't zijden wuiven zijner haren, en het dagen Van roode glanzen als een melkig-stil en loom Ontbloeien van den morgen, heeft mijn hoofd beschenen Zóó na-vertrouwd en teer, dat heel de natte stad, Die roerloos stond getooid in stilte en regenweenen, Voor mij haar diepe schoon en fijn bekoren had. En wat mij die beloken vreugde heeft gegeven, Was deze simple droom : het peinzen van een kind, Dat in een onbewust verklaren van zijn leven, In bruinen boomengaard van late en rijpe bloeiing Te mijmren zit, en voelt den geurend-weeken wind Des avonds fleemen om zijn mond, en ziet de gloeiing Van 't innig rood daarginds, in 'tlage hemelmeer, Zich spreiden over 't loof en lekken langs de blaren, Waar 't ruischelend verwijlt: het kind bemint nu zéér, Uit ieder ding rondom ontroeringen te garen, En saam te weven tot een zacht satijnen kleed, Dat hij zijn ziel tot sieraad geeft. Dan kan hij droomen, Éénmaal 't Geluk te zien, dat nóg zijn hart niet weet: Het groot Geluk, . . en lacht: hij mijmert naar de boomen, Alwaar het talmend goud, verkwijnend, bleekblijftgloren, En ziet de bloemen aan, die warme tranen zijn Van zoete vreugdeschrei: hij kan hun glimlach hóóren . . O scheemring! . . en na haar zal de effen nacht den schijn, Die om zijn handen roode roersels heeft gehangen, Versluiren als een waas, totdat de late maan, In 't broos vertoonde lied van vaag-ontroerd verlangen, Gelijk een lange zucht langs zijn gelaat zal gaan.

(Uit: De Gelooide Doolhof.)

Sluiten