Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

W aar 't lage water, traag versmald, in 't beven Naar teer opaal van welig-weemlend blauw, Zijn bleek gebaar aan 't verst verschiet zou geven, Maar wegvloot in dezelfde neveldauw,

| Hing stil, omhoog, in 't donzig dunne kwijnen Dier paarlen mist naar 't stralend licht der lucht, Gedaald beneden rechte wolkenlijnen, De gele zon gelijk een rijpe vrucht.

En gansch het strand, de bruine heuvelrijen. Het wuivend helm, en heel die teedre vloed, Die enkel rées om wijder weg te glijen, Het droeg denzelfden goud-doorzogen gloed.

Een blanke brand, gedempt in witte gazen, Die, tot mijn duin in stilte heengezeefd. Door al de mijwaarts stadig ijler wazen, Ook in mijn blik gegloeid heeft en gebeefd.

Ik zag het aan: een oov'ral ruischend rusten | Der wereld in het wonder van een glans, Een teere dauw, die brooze tinten kusten Langs 't welven van den smetteloozen trans.

En dicht ter kim, maar vóór het wolkig wassen h Van de avonddamp, werd, laag langs 't strand gespreid, Het spieglend vlak van verre gladde plassen Met levend goud, dat gloeide, geplaveid.

Daar looverde, over 't noode rekkend rijzen En 't glooien van de laatste kruivenrij, In 't schuimen vonkend, rimpel-stil in 't deizen, Dat bevend vuur 't doorschijnend watertij.

Dichters na '80. 3

Sluiten