Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog stond ik daar, in diep geluk verzonken, Vol hünkrend heimwee uitziend naar de zon, Te dorsten naar hetzelfde hel-doorblonken, Beuwig geschenk van gloeden uit haar bron.

Een dorst der ziel, onmeetlijk zich verwijdend Naar verten, waar haar drang geen einders kent, En al haar hijgend smachten vrij uitspreidend, Naar 's werelds schat om zege' en rijkdom zendt.

Ik ging dan heen, want rooder vlammen klommen Reeds hooger tegen 't blauw des hemels op, De plassen ginds, de splinters goud verglommen, In grijzen nevel doken top na top.

Maar mijn gepeinzen, vreugde-dronken, wonnen Den sterken lach, die nóg mijn hart bewoont, O heerüjk land, dat de ondergang der zonnen Met damp en glans van zólke schoonheid kroont!

(Uit: Uitziekten.

Sluiten