Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De mane zit, in 's hemels blauw,

dat wederkeert, verloren ; noch geluw, noch oranje ... en al

heur haar is afgeschoren: van penning noch palet en mag

ik, mane, meer gespreken : uw zusterlicht is opgestaan,

de dag begint te breken.

TRANEN

't Is nevelkoud, en, 's halfvoornoens, nog duister in de lanen ; de boomen, die 'k nog nauweüjks zien kan weenen dikke tranen.

't En regent niet, maar 't zeevert. . . van die fijngezichte, natte

schiervatbaarheid, die stof gelijkt, en wolke en wulle en watte.

't Is aschgrauw al, beneên, omhooge, in 't veld en langs de lanen : de boomen, die 'k nog nauwelijks zien kan, weenen dikke tranen.

(Uit: Rijmsnoer, )

Sluiten