Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ZAAIER

Exiit qui teminat

Met kloeken arme, en hand vol zaad, aanschouwt hoe hij zijn' stappen gaat

en zaait, vol zorgen, de man, wiens hope en troost en al, met 't stervend zaad, nu zitten zal

in 'tland geborgen.

Staat op, o zaad, 'tis God die 't zegt, den winter en de dood bevecht:

de zonnestralen verwachten al, met menigvoud geverwde pracht en levend goud,

uw zegepralen.

o Winden, waait om 't groene kind

des lands, uw zacht-, uw zoetsten wind ;

o dauwrijk dagen des morgenstonds, o wolkenvloed, verleent het koorn, dat kenen doet,

uw welbehagen.

Het wasse en 't worde een geluw graan, het bloeie en 'tblijve buigend staan,

vol zaad geladen : vol zegen, die geen' nijd en baart, geen' zucht, geen' zoek omleegewaard,

geen' euveldaden !

Houdt af, gij, wind- en wolkgeweld, die de akkerzaaite omverrevelt,

en bleeke ellenden verspreidt alom: houdt af uw' hand ; wilt verre weg van 't dragend land

uw' geesels wenden!

Sluiten