Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Opdat er niets van buiten door zou dringen Dat stemmen kon tot sombere gepeinzen. En 't leven van Siddhartha ging voorbij Met vrouwenliefde, zang en dans en spel Met al wat zinnen streelt en bloeit en blij is. Maar eens geschiedde 't dat de prins met Tjanda, Zijn vriend en wagenmenner, door het park ging, En zag een mensch, die oud van dagen was, Gebrekkig, stromplend op een kruk. . .

De honing- heft het hoofd op naar den spreker.

T i s s a.

'v'$?ï Er zijn,

Die zeggen dat het een der Goden was, Die de gestalte van den ouden man Aannam, opdat vervuld zou worden, wat De tijd voor 't karma van de wereld borg. De prins stond stil en vroeg: „Wat is dit, ïjanda ?

Een grijsaard". — „Kan elkeen zoo worden? " „Elkeen.' Siddhartha ging naar huis, en bleef alleen Geruimen tijd, en peinsde. . .

En wederom Geschiedde het, dat hij met Tjanda ging. Door 't park en zag een zieke, uitgeteerd, Bedekt met wonden, vreeslijk om te zien.

Wat is dit, Tjanda ?" — „Een zieke". — „Kan elkeen Zoo worden ?'•' — „Elkeen, Heer." Siddhartha ging Naar huis, en peinsde lang.

Ten derde male Geschiedde het dat hij met Tjanda ging ( Door 't park en zag ; een doode. „Wat is dit 1/ — Een doode." — „Wacht — ons allen — dit ? — „Ja.

allen.

Sluiten