Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vloot van sterren week weerzijds en ruim Lag daar de heerweg — als wapenheraut Stoof 't wolkje voort, het droeg de kleuren goud En wit van zijn meestres, en een bazuin Leek hij te blazen van roodgoud en bruin.

Wie kan den glans verdragen van die zon, Wanneer zij naakt, witgloeiend staat ? Mei kon Het niet en droomde in. De maan bezag Den ganschen nacht haar met een gouden lach.

En in de trillende scheem'ring van 't woud Raakten twaalf kleine ridders telkens 't. goud Dat van de maan door zwarte takken brokkelt, Eerst zijn het lange snaren, de wind tokkelt Ze klagelijk, diep in den zomernacht. Ze dalen zich strekkend op donkre dracht Van 't woud en breken in goudsplinters fijn, Die raakten nu in 't woud twaalf ridders klein.

Ze droegen witte mantels, wit tricot, Baretten wit gestruisveerd, stapten zoo, De maan glom in wapens, den heuvel op, En schaarden in een kring zich op den top.

Dat zijn de twaalf nachturen die daar staan, Ze zien zoo teer naar 't kind der ronde maan, Als 't spel van kinderen staan z'in kleinen kring. Om beurten gaat er een en breekt den ring En laat de andren wakend achter, hij Treedt snel het woud en wijde wei voorbij En klimt de trappen op in ouden toren, En luidt en slaat zijn uur, zijn makkers hooren, * En zien zijn witten mantel boven 't woud, Die glanst er als ivoor in 't gul maangoud.

Sluiten