Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo stonden twaalf ridders dien gulden nacht En hielden trouw om kleine Mei de wacht. De maan scheen onbeweeg'lijk, in het rond Stonden zij stil, hun degens in den grond.

(Fragmenten uit den Eersten Zang.)

Waar de wind is en eeuwig geruisch Van het water om Wodans huis,

Waar de zee licht is

En de duisternis Verglinstert het sterrengruis.

Waar laat in den nachtorkaan, Wasblank in de wassende maan,

De godessenschaar

Om het brandaltaar Reidanst bij den Oceaan.

Waar onweerende wind zoo waait Dat het boombosch valt gemaaid, Waar de donderkoe loeit, Maar omhoog weer groeit Het pijnwoud door Wodan gezaaid.

Waar Aurora haar kindeke windt Straalkrans die den nacht verblindt,

En met tinkeling

En met rinkeling Het lichtend te loopen begint.

Daar woond' ik eens, wee mij, o mij, Toen droomde de 'jonge Idoena bij mij

Met de voetjes bloot

In het rozerood Van de dunne donzige wolkensprei.

Sluiten