Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GEERTEN GOSSAERT

—■

'T VERLATEN LANDHUIS.

De late najaarszon ging dalen.

En in 't verlaten beukenwoud Was 't loover in de laatste stralen

Van louter vuur en louter goud; Maar in de schaduwen der boomen

Hing schemer als een teer beklag Van 't komend duister om het doornen,

Om het verscheiden van den dag.

Er buigt een pad door donkre dennen

Naar dieper eenzaamheden heen ; En langs de rimpellooze vennen

Versmoort de tred in sponzig veen; Tot door de halfontblaerde twijgen,

Langs de bemoste poorterskluis, Men met een trage bocht ziet stijgen

Den oprit naar 't verlaten huis.

De waaksche Spits stuift ons ter zijde, Snuift en herkent en ziet ons aan;

En volgt ons kwisplend waar we schrijden Door de begreinde larixlaan ;

Sluiten