Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over der aarde duizendkleurge bloemen,

Zijn blik zoo machtig boeide, dat zijn ziel

Eeefde in dat staren, in dat willoos peinzen,

Dat klanken voelen, ruischend in zijn borst. —

Ben Phoebusbeeld — en schier aanbiddend knielde

Ben meisje naast hem in de warme schaduw

Van een olijfboom en zij speelde met

De bleeke rozen, die den zachten grond

Van donker mos bebloeiden en wier geur

Opwolkte tot het zonbestraalde loover,

Waar lichte vlekjes dansten van den gloed,

Die donzig schemerde op het zijïg kleed

Der zwarte steenen, die, alom verspreid,

Ben omgeworpen altaar schenen van

Ben god, wiens macht vervloot in de eeuwge schoonheid.

Toen zag Eurydice tot Orfeus op

En haar door liefde zacht-gewijde blik

Scheen hem een lied te vragen, dat haar ziel

Zou warmen aan den gloed der zijne, die

De wereld minde en haar kon openbaren

In al de weeldrigheid van zijn gevoel,

Omdat zij leefde in zijn verheven leven

En voelen kon, wat hij zoo heerlijk zag.

Hij hief zijn her en peinsde, wijl zijn hand

Over de snaren gleed, maar nog geen toon

Kon vinden, tot opeens een volle klank

De blaadren ruischen deed en zwatelen,

In harmoniëerend beven — en een vloed

Van zilvren snaretonen viel met kracht

Over de dalen, waar het blij geritsel

Van breede beken zwellend opwaarts klom,

Tot waar hij stond. Zooals een waterval

Over de rotsen zingt en dansend lacht,

Terwijl een luid geschater 't blanke schuim

Verzelt, dat neervalt op de bergebloemen,

Sluiten