Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die geuren aan den donkren woudezoom — Zoo schalde 't rijk gezang van groote liefde En schoonheid-weten door het hooge bosch, Dat luisterde. De schuchtre vogels kwamen Hun meester nader, met een zacht geritsel Van boomeblaren en zij hoorden toe, . Het kopje neergebogen, wijl de klank Met zachtre tonen langs hun veeren streek En rusten ging in schaduw van de twijgen. Nu scheen het lied van Orfeus als 't geruisen Van schuwe zefiers door het woud te zweven ; Zoo murmelen de meren in den uchtend, Wanneer de zon boven de kimmen rijst En aan den oever kabbelende golfjes Het doodsbed zingen van den bleeken nacht. Eurydice zat zwijgend, en zij plukte Gedachteloos de bloempjes van het mos, Terwijl haar ziel naast haren Orfeus steeg En met hem zong dat innig-zachte lied, Dat hen vereenigde. Zij voelde zich Groot in zijn liefde, die haar hield omvat In zangerige omarming — zij was trotsch, Omdat de vogelen hem zoo schoon kenden En zwijgend luisterden; omdat de zon Zijn lier zoo blinkend goudde en in zijn tonen Mee scheen te zingen, wuivend in het groen. En in zijn zangen opende de wereld Zich voor haar blik en büjde, 't Schoonste Schoon Erkend te hebben door haar Orfeus, dacht Zij eeuwig zalig zich en zonder leed.

Sluiten