Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UIT: ASFODILLEN I.

Wie schrijdt door zonnelicht en vooglenlied In 't dorpje waar bij 't vroolijk blinkend huis Een bloesemboom wuivend in 't windgeruisch Zijn blanke sneeuw stort, denkt aan sterven niet.

De blijde wandlaar denkt aan sterven niet Op 't eenzaam strand bij parelende zee Als hij de droomenlucht vol purpren vree En in 't verschiet tintiend de starren ziet.

Maar wie in de eenzaamheid in 't donker huis Te bed ligt, wijl wild kreunend stormgedruisch Den grijzen dag door plassend regen plengt,

Die weet — zijn klok glinstert als goud — maar stil Schrijden de wijzers met onkeerbren wil — Dat elke tik den dood hem naderbrengt.

(Uit: Ben Jeugd van Liefde.)

UIT : HEMEL EN AARDE

2.

Dit is het huis waar 'k eerste vriendschap vond. Rauw snerpt de wind door 't latwerk, en de ruiten Rinkelen hel, terwijl de storm daarbuiten Zweept over zee waaruit hij zelf ontstond.

Sluiten