Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En in het smallere boschpad. straalden Bemoste stammen sneeuwgelijk, Door kruinen zilvren schimmen daalden En dwaalden door hun sprookjesrijk.

Hun sluiers wuifden . . . bleeke haren . . . Blanke gewaden . . . manegloed . . . Was het de ritseling dier scharen, Dat kilte rilde door ons bloed?

't Gehakte hout lag klaar in stapels : Altaren, Druïden-dienst bereid. Wuifden daarheen die bleeke rafels ? Wat vreemde zucht zwol wijd en zijd ?

Ons voeten stootten donkre vormen Als vreemd gedierte op witten grond, En angst-ontroering kwam bestormen Ons hart dat nergens uitweg vond.

Opeens een poort van 't woud, en heide Eag vredig wijd . . . geen dampen grauw : Helstralend maan en sterren spreidden Hun schijnslen door het glanzend blauw.

En bij een vijver tredend schouwden We in donkren spiegel 't maanbeetö klaar, Zuiver en rond, en de onverflauwde Sterren, doodstil, omkringdén haar.

(Uit: Doorgloeide Wolken.)

Sluiten